Oranje wanten

Vandaag ben ik aangekomen in Istanbul, de stad waar ik vier weken zal zijn. Op een voor Nederland historische dag, heul ik met de vijand. Die loopt op deze zonnige zaterdagmiddag massaal over Istiklal Caddesi, de Turkse Kalverstraat, en ziet er doodnormaal uit. Geen boerka’s, nauwelijks hoofddoeken, veel blote benen. Mannen die arm-in-arm met elkaar lopen en elkaar graag aanraken. Knappe, zelfbewuste meiden die weten dat er ogen op hen gericht zijn. Vanuit mijn luie stoel in een heerlijk maar duur café observeer ik het allemaal. Af en toe schuifelt er een vrouw in mijn beeld. Zij is klein en loopt krom. Haar handen zijn in oranje wanten gestoken. Daarmee sleept zij een grote kartonnen doos achter zich aan. Hierin heeft zij bergen papier verzameld. Af en toe rust ze even uit op de trappen van het café. Een goedgeklede voorbijganger stopt en maakt een praatje met de haar.

Op dezelfde trap stond net een vrouw met zongebrande huid en ravenzwarte haren. Op haar buik droeg zij een kindje. Een fragiel meisje stond op en gaf haar wat kleingeld. Haar hippe vriendin bracht haar een briefje van tien. De vrouw vertrok met, hoe kan het anders, een lach rond haar lippen. Het meisje uit de bediening zei haar vriendelijk gedag.

Op de weg van het vliegveld naar de stad reed ik door de Tarlabasi, hemelsbreed nog geen kilometer verwijderd van het café in Taksim. Bontgekleurde was wapperde hier vrolijk in de wind maar kon de armzalige bende niet verhullen. Je zou het vanuit toeristisch perspectief authentiek kunnen noemen. Het maakt me nieuwsgierig naar de verschillen tussen arm en rijk in deze stad? Ik heb het idee dat arme mensen sterk op zichzelf, elkaar en meevoelende particulieren zijn aangewezen en niet zozeer op de overheid. Zou dat waar zijn?

02/10/2010


Reageer

Logged in as . Log out »